De Dichter En De Stad

Van bordkarton en resten kroegverhalen

Heeft de dichter met zijn pen een stad gebouwd

Waar hij dromend langs de huizen kan verdwalen.

Elke nieuwe straathoek is hem vreemd vertrouwd.


Maar in een lege stad moet iemand wonen

Dus bezingt hij de vriendinnen voor één nacht.

Hij geeft ze huizen, kathedralen, gouden tronen

In ballades die hij voor hen heeft bedacht.


En de dichter schept de wereld

Van een stad die niet bestaat.

In een droom vol beelden die hij heeft geschreven

Loopt de dichter door de straat.


Een stad zo fraai verzonnen komt tot leven,

Stroomt vol mensen die de dichter niet verwacht.

Die niet weten dat hij hen zelf heeft geschreven

En hem mompelend zien dwalen in de nacht.


De drukke stad wordt een beminde vreemde

Als de meisjes die hij één nacht heeft gekend.

En in zijn liedjes wordt de dichter een ontheemde

Die zelfs aan zijn eigen straten niet meer went.


En de stad lijkt te geloven

Dat de dichter niet bestaat.

Ook al maakt hij nog altijd nieuwe balladen

Als hij ronddwaalt over straat.


SOLO


Hij heeft de stad opeens alleen gelaten.

Als een kind, zijn lego-huisjes zomaar zat,

Dat nu liever wilde dwalen door de straten

Van een andere, een werkelijke stad.


En de dichter is vertrokken

Uit de stad die niet bestaat.

Wat er bleef zijn liedjes die hij heeft geschreven.

Ze plaveien elke straat.