De Efteling

Als je lacht geef je me kracht, je bent een fee;
Ik voel je hand in mijn hand, ik neem je mee.
Dit is een droom in een droom vol romantiek;
En de wereld wordt als een prille prent van Anton Pieck.
Weinig tijd voor werk’lijkheid in sprookjesland,
Vol allerlei, voor jou en mij, de Efteling.

Hé Prinses, wie ben je nou?  Je slaapt zo diep.
Geef ik jou nu een kus in het geniep?
Dan merk je wel, ontzettend snel, wat ik voor je voel.
Zacht vloeit muziek, melancholiek uit een paddestoel.
Weinig tijd voor werk’lijkheid in sprookjesland,
Vol allerlei, voor jou en mij, de Efteling.

Kom, we drinken uit de hoorn des overvloeds.
Kom, en dronken doen w’ons aan elkaar te goed.
Ik ben een bij en proef de zoete honing van jouw bloemen.

Ik bouwde een wereld op met jou van broos geluk.
Vol overmoed deden we ons tegoed,
Maar de droom brak stuk!

Dit is een vreemde reis naar een paradijs terug in de tijd.
Liefdesdronken zijn, nectar en ambrozijn brengt ons vergetelheid.
En gaat dit al voorbij, blijf dan toch bij mij, m’n lieveling.
Weinig tijd voor werkelijkheid in de Efteling!