Leida

Leida draagt zigeunerrokken,
Knap met witte kant bezet,
Zwarte blouse, donk’re lokken,
Bloemetjeslakens op haar bed.
En ze dekt keurig de tafel,
Honingkaarsen, porselein;
In de keuken ruikt het lekker,
En er is witte en rode wijn;
In de keuken ruikt het lekker,
En er is witte en rode wijn.

Leida wil een lieve man,
Waar ze straks op bouwen kan.

Op de radio zingt zachtjes,
Don Mc Lean over Van Gogh;
Wierook krult in arabesken,
Bestaat de grote liefde toch?
En ze steekt een vaas vol rozen,
Die ze gisteren van hem kreeg;
Ergens in de stad loopt iemand,
Op zijn kraag een lipstickveeg.

Leida wil een lieve man,
Die ze echt vertrouwen kan.

Ze neemt een taxi naar de stad toe,
Rijdt weer naar diezelfde kroeg;
Na drie sherry is ze tipsy,
Met de nacht nog voor de boeg.
Wank’lend loopt ze dan naar buiten,
Plotseling een andere vrouw;
Mompelend, triest en niet begrijpend,
Jongenlief, jongenlief, waar blijf je nou?

Leida wil een lieve man,
Waar ze straks mee trouwen kan.
Droom zacht Leida.