Seizoenen

Toen waren er de wolken,
En het gras rook er naar hooi.
De zon boven het nieuwe nest,
Bouwde een hete kooi.
En je liet de stralen strelen,
Op een veel te witte huid.
Je zacht gesproken woorden,
Klonken mij nog veel te luid.
Een boerenzoon met hazenlip,
Sprak van angst over het land.
De kracht van jonge vrouwen,
En zijn ebbehouten hand.
Tot de heupen in de tarwe,
Met een overvolle kruik.
Een onderhuidse rilling,
En jouw overrijpe buik.

Roep me zonder naam vannacht,
Met woorden die ik van jou verwacht.
Geef je hand en neem me mee,
Ik kom gedwee.

Roep me zonder naam vannacht,
Met woorden die ik van jou verwacht.
Geef je hand en neem me mee,
Ik kom gedwee.

Mijn ogen zijn verward,
Door jouw oneindig tere lijnen.
En je laat me tussen ’t kreupelhout,
In jouw lieve lijf verdwijnen.
De horizon gekneusd,
Door de golfslag van de wind,
Terwijl de kou ons voelen doet,
Dat nu de herfst begint.

Roep me zonder naam vannacht,
Met woorden die ik van jou verwacht.
Geef je hand en neem me mee,
Ik kom gedwee.

Roep me zonder naam vannacht,
Met woorden die ik van jou verwacht.
Geef je hand en neem me mee,
Ik kom gedwee.

Met z’n tweeën ingesponnen,
In een zacht en warm verbond,
In het bed van onze ouders,
Met mijn vingers in jouw mond.
De vrieskou tekent bloemen,
In het ijs op ’t vensterglas,
Terwijl je luidop ligt te denken,
Hoe het in de lente was.

Roep me zonder naam vannacht,
Met woorden die ik van jou verwacht.
Geef je hand en neem me mee,
Ik kom gedwee.

Roep me zonder naam vannacht,
Met woorden die ik van jou verwacht.
Geef je hand en neem me mee,
Ik kom gedwee.